maandag 8 juni 2015
geconcentreerd
woensdag 30 oktober 2013
bankzaken
„Ik betreur oprecht dat een aantal medewerkers van Rabobank ontoelaatbaar gedrag heeft vertoond. Dit had nooit mogen gebeuren bij Rabobank. Het gedrag van deze personen en het taalgebruik dat sommige van deze personen in hun communicaties hebben gebruikt, heeft mij geschokt. Rabobank heeft alle begrip voor de verontwaardiging die dit oproept, zowel binnen onze organisatie als daarbuiten. Dergelijk gedrag is volledig in strijd met onze kernwaarden, waarvan integriteit de belangrijkste is. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat mensen van de Rabobank vanuit deze waarden opereren. Daarom heb ik vandaag besloten om uit principe en met onmiddellijke ingang terug te treden als voorzitter van de Raad van Bestuur.”
Waarom treedt Moerland dan af? Omdat-ie geschokt is van het taalgebruik van zijn medewerkers? Heeft hij zo'n gevoelige ziel? Wanneer sommige van je medewerkers ontoelaatbaar gedrag vertonen, geef je ze toch gewoon straf of ontslaat ze. Maar aftreden als bestuursvoorzitter?
dinsdag 8 oktober 2013
niks
Dan zegt ’het baasje’ de onvermijdelijke woorden: „Hij doet niks hoor” en trekt aan de riem die hem verbindt met de bulldog-achtige variant van de Canis lupus familiaris.
„Maar ik wel”, zeg ik binnensmonds.
’Het baasje’ heeft me toch verstaan en werpt me een blik toe van ongeloof vermengd met afkeer en trekt de hond nog dichter naar zich toe.
vrijdag 21 september 2012
groots
woensdag 20 juni 2012
architectonisch
De vraag luidt nu: kan een architect beter een gevangenis in Nederland of een villa in China bouwen?
Beantwoord deze vraag eerst als moralist en vervolgens als architect.
vrijdag 2 december 2011
zaterdag 2 augustus 2008
maartje
De dag dat Maartje van den Broek geboren werd, regende het pijpenstelen En het had de week ervoor ook al geregend en de week erna nog steeds. Zo kwam Maartje aan haar naam. Als de Grootmensen vroegen: “Wanneer ben je geboren, Maartje?” gaven ze zelf meteen antwoord: “Oh ja, toen was het maart en het regende pijpenstelen”.
Grootmensen deden dat wel vaker: van die vragen stellen waar het antwoord al in zit. Bestaat God? vroegen ze dan. En als Maartje er dan even goed voor wilde gaan zitten om uit te leggen dat God bestaat zo lang mensen in Hem geloven, dan gingen de Grootmensen met deftige gezichten vertellen dat Hij Bestaat en wel omdat het de Bijbel dat zegt. En als ze zo praatten hoorde je de hoofdletters.
Als de Grootmensen vroegen: bestaat God? dan begon Maartje hardop te denken. Dan zei zij bijvoorbeeld: als niemand in Hem gelooft, heeft God geen middelen van bestaan, dus moet Hij wel werkloos zijn. En daarom geven gelovigen Hem maar een uitkering, teveel om niet dood te gaan, te weinig om van te leven. Of Maartje bedacht dat God net zo goed een ‘zij’ kan zijn. Of ze vroeg zich af of haar leven er anders uit zou zien, als God niet bestond.
Maar wanneer Maartje van den Broek zulke gedachten uitsprak, riepen de Grootmensen meteen: zo mag je niet praten, Maartje, dat is spotten. En dan zeiden ze ook nog: je moet niet alsmaar van die vragen stellen, Maartje, en steeds alles belachelijk maken. Ga het maar aan de Uitgewijde vragen, onze voorganger.En Maartje begreep dat je van vragen wijs wordt, maar dat het van de antwoorden afhangt hóe wijs. En Maartje besloot haar gedachten voorlopig alleen maar te denken en er verder met niemand over te praten.
zondag 6 juli 2008
best
Als ik in God geloof en Hij bestaat
kom ik in de hemelAls ik niet in God geloof en Hij bestaat
kom ik in de helAls ik in God geloof en Hij bestaat niet
heb ik niets verlorenAls ik niet in God geloof en Hij bestaat niet
heb ik weer niets verlorenHet is dus het beste in God te geloven
dinsdag 25 september 2007
Hij was erbij
Het Duitse leger dat in 1940 Nederland binnenvalt en tot '45 bezet. Het Oranjehuis en regering die laten zien waar ze voor staan en zich met de staart tussen de benen uit de voeten maakt naar Engeland en Canada.
De rest van de Nederlanders die blijft en zich vooral bezighoudt met overleven, met lede ogen toeziend hoe Joden (enz.) worden opgebracht en afgevoerd naar kampen (zie boven). Sommige Nederlanders die er aan meedoen, sommigen die in verzet komen (door het drukken en verspreiden van illegale krantjes of door mensen bij zich te laten onderduiken), de meesten die er wat van proberen te maken.
Ik ben gelukkig van 1959 en heb alles van horen zeggen (uit boeken, door documentaires en af en toe van ooggetuigen: ouders, ooms, grootouders).
Eén zo'n ooggetuige vandaag ontmoet. Dit is zijn verhaal.
We schrijven 1942. H. is 'ondergedoken' in Alkmaar. D.w.z. hij verblijft zonder dat de Duitse autoriteiten het weten op een boerderij van een oom. H. ontkomt zo aan verplichte tewerkstelling in Duitsland. H., 18 jaar, ontmoet meisje, 16. Meisje en H. vrijen, meisje raakt in verwachting. Zo gaat dat tijdens een bezetting. Ze moeten trouwen, want zo hoort dat (tijdens een bezetting).
Een kennis van een vriend van de vader van het meisje weet een oplossing. Hij heeft een broodbakkerij in Amsterdam. Met valse papieren kunnen ze 'legaal' trouwen. H. krijgt een (vervalst) formulier waaruit blijkt dat hij 'onontbeerlijk is voor de oorlogsinspanning', d.w.z. hij moet meehelpen in de bakkerij, hoewel het hongerwinter is en er niet veel valt te bakken. Er is geen voedsel, geen brandstof. Als salaris krijgt H. één brood per week. Meisje gaat lopend van Amsterdan naar Friesland om eten. Zij doet er zes dagen over en bij terugkomst wordt de door een ver familielid meegegeven zak van 1,5 kg aardappelen geconfisqueerd door een Duitse soldaat.
Ze krijgen dankzij het formulier woonruimte toegewezen. Het is een bovenwoning, die al twee jaar leegstaat omdat het Joodse gezin dat er oorspronkelijk woonde, al lang is gearresteerd en naar een Pools kamp is getransporteerd (zie boven).
H. vertelt dit verhaal bijna gnuivend. Wat een buitenkans dat hij, zijn vrouw en hun zoontje zo de rest van de bezetting konden doorkomen!
Ik ben helemaal uit het veld geslagen van dit ooggetuigenis.
H. heeft geen woord gezegd over het lot van de Joodse familie. Hij heeft wel aanmerkingen op de staat van de woonruimte: alle koperen leidingen waren er uit gesloopt, de kachels gestolen en er was geen water of licht. Maar hij zei niets van de plunderaars.
Ik besef: dit was dus de reëel bestaande werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog in Nederland van 1940-'45. Een Joods gezin wordt weggevoerd om vergast en verbrand te worden. Klaarblijkelijk heeft niemand van de buren (of wie dan ook) daar iets tegen ondernomen (of kunnen ondernemen). Sterker nog, enkelen van hen hebben het huis leeggeroofd. En een jong gezin kan dankzij dit kraakpand overleven.
Bij welke van deze groepen zou ik gehoord hebben, in 1940-'45? Ik ben geen held, misschien wel gewoon laf. Zou ik het Duitse arrestatieteam hebben tegengehouden als buurman van het Joodse gezin? Zou ik wat van waarde achterbleef in hun huis, hebben gestolen?
Dat zijn de keuzes waar je voor komt te staan als onderworpene van een vreemde bezettingsmacht. En misschien zie je die vragen niet eens, maar kijk je alleen maar naar wat jou kan helpen om het vege lijf te redden.
Ik krijg een sterke bewondering voor 'onze jongens en meiden' in Afghanistan, die daar in een soortgelijke en tegelijkertijd extra gecompliceerde toestand aan 'vrede werken' (zoals dat heet).
maandag 24 september 2007
Sprook
Kaas ging nog wel, maar beschuit kwam er bij haar meteen weer uit.
Haar vader vond dat je alles moest lusten en nooit eten mocht laten staan.
[Typisch een principe dat alleen in Nederland kan bestaan].
Op een dag stond er weer beschuit op het menu.
Vader Muis had zijn schamele leven gewaagd voor een volkoren mueslibeschuit.
En toen zijn dochter dan ook weigerde te eten, werd hij zo boos dat hij haar ik weet niet wat kon doen.
Toen begon het meisjesmuisje te huilen.
‘Ik kan er toch ook niks aan doen, dat ik beschuit niet lekker vind’, snikte zij.
[Daar had zij gelijk in, want je kunt iets niet op commando lekker vinden].
‘Heb je het ooit weleens geproefd?’, riep Vader Muis uit.
[En daar had hij weer gelijk in, want je moet eerst iets geproefd hebben, om te weten of je het lekker vindt of niet].
‘Jawel’, zei het muisje, ‘Maar toen had ik zo’n last van m’n kies.’
[Dat klopte. Toen had zij een behoorlijk rotte kies, die ontzettend pijn deed].
Moraal
De tandarts moet weer in Basispakket.

